4.9 gebaseerd op 108 reviews
Onderwijs
14 maart 2026
Justin Post

Onregelmatige werkwoorden (Nederlands)

Terug naar overzicht

Onregelmatige werkwoorden: uitleg, voorbeelden en oefeningen

Onregelmatige werkwoorden zijn een belangrijk onderdeel van de Nederlandse grammatica. Veel leerlingen vinden dit onderwerp lastig, omdat deze werkwoorden niet volgens de standaardregels worden vervoegd. Bij regelmatige werkwoorden kun je vaak een vaste regel toepassen om de verleden tijd of het voltooid deelwoord te vormen, maar bij onregelmatige werkwoorden werkt dat anders. De vorm van het werkwoord verandert vaak op een onverwachte manier.

Je komt onregelmatige werkwoorden dagelijks tegen in het Nederlands. Denk bijvoorbeeld aan werkwoorden zoals gaan, zien, nemen, komen en eten. Deze werkwoorden worden veel gebruikt in gesprekken, teksten en schoolopdrachten. Daarom is het belangrijk dat leerlingen begrijpen hoe deze werkwoorden werken en hoe ze correct gebruikt moeten worden in verschillende tijden.

In deze blog leggen we stap voor stap uit wat onregelmatige werkwoorden zijn, hoe je ze herkent en hoe je ze correct gebruikt in zinnen. Daarnaast geven we duidelijke voorbeelden en praktische oefeningen. Zo kun je het onderwerp beter begrijpen en je grammatica verbeteren.

Wat zijn onregelmatige werkwoorden?

Definitie van onregelmatige werkwoorden

Onregelmatige werkwoorden zijn werkwoorden die niet volgens de standaardregels worden vervoegd. In het Nederlands worden veel werkwoorden volgens een vaste regel veranderd wanneer je ze in een andere tijd zet. Deze werkwoorden noemen we regelmatige werkwoorden. Bij regelmatige werkwoorden voeg je meestal -te, -de, -t of -d toe om de verleden tijd of het voltooid deelwoord te vormen.

Bij onregelmatige werkwoorden werkt dat anders. De vorm van het werkwoord verandert vaak, waardoor je niet altijd een vaste regel kunt toepassen. Daarom moeten leerlingen deze werkwoorden vaak herkennen en oefenen om ze goed te kunnen gebruiken.

Voorbeelden van onregelmatige werkwoorden

Een duidelijk voorbeeld is het werkwoord lopen. In de tegenwoordige tijd zeg je bijvoorbeeld: ik loop naar school. Maar in de verleden tijd verandert het woord en zeg je: ik liep naar school. Ook het voltooid deelwoord verandert: ik heb naar school gelopen.

Andere veelgebruikte voorbeelden zijn:

  • gaan → ging → gegaan

  • zien → zag → gezien

  • nemen → nam → genomen

  • eten → at → gegeten

Deze werkwoorden worden vaak gebruikt in het dagelijks Nederlands, waardoor het belangrijk is dat leerlingen ze goed leren herkennen.

Klinkerwisseling bij onregelmatige werkwoorden

Veel onregelmatige werkwoorden worden ook sterke werkwoorden genoemd. Bij deze werkwoorden verandert meestal de klinker in de stam van het woord wanneer het werkwoord wordt vervoegd. Dit noemen we klinkerwisseling.

Een voorbeeld is het werkwoord zingen:

  • zingen (tegenwoordige tijd)

  • zong (verleden tijd)

  • gezongen (voltooid deelwoord)

Door deze klinkerwisseling verandert het werkwoord dus van vorm.

Waarom het belangrijk is om onregelmatige werkwoorden te oefenen

Het kan in het begin lastig zijn om onregelmatige werkwoorden te onthouden, omdat er geen vaste regel is. Toch worden deze werkwoorden steeds makkelijker als je ze vaker ziet en gebruikt.

Door veel te lezen, voorbeeldzinnen te maken en oefeningen te doen, raken leerlingen steeds meer vertrouwd met deze werkwoorden. Zo wordt het eenvoudiger om ze correct te gebruiken in gesprekken, teksten en schoolopdrachten.

Verschil tussen regelmatige en onregelmatige werkwoorden

Om onregelmatige werkwoorden goed te begrijpen, is het belangrijk om eerst het verschil te kennen tussen regelmatige en onregelmatige werkwoorden. Beide soorten werkwoorden worden namelijk op een andere manier vervoegd wanneer je ze in een andere tijd zet. Door dit verschil te begrijpen, wordt het makkelijker om te herkennen met welk soort werkwoord je te maken hebt.

Wat zijn regelmatige werkwoorden?

Regelmatige werkwoorden volgen vaste regels wanneer ze worden vervoegd. Dat betekent dat je vaak kunt voorspellen hoe de verleden tijd en het voltooid deelwoord eruitzien. In het Nederlands wordt hiervoor meestal gebruikgemaakt van de bekende ’t kofschip-regel.

Bij regelmatige werkwoorden voeg je meestal -te of -de toe in de verleden tijd. Het voltooid deelwoord krijgt meestal ge- aan het begin en -t of -d aan het einde.

Voorbeelden van regelmatige werkwoorden zijn:

Werkwoord Verleden tijd Voltooid deelwoord
werken werkte gewerkt
maken maakte gemaakt
leren leerde geleerd

Zoals je ziet blijft de stam van het werkwoord hetzelfde en wordt er alleen een uitgang toegevoegd.

Wat zijn onregelmatige werkwoorden?

Bij onregelmatige werkwoorden werkt het anders. Deze werkwoorden volgen geen vaste vervoegingsregel. In plaats daarvan verandert vaak de stam van het woord wanneer het werkwoord in een andere tijd wordt gezet.

Dit betekent dat je de vormen vaak moet onthouden of herkennen, omdat je ze niet altijd met een simpele regel kunt bepalen.

Voorbeelden van onregelmatige werkwoorden zijn:

Werkwoord Verleden tijd Voltooid deelwoord
lopen liep gelopen
drinken dronk gedronken
schrijven schreef geschreven

Hier verandert de klinker van het werkwoord en soms zelfs meerdere letters.

Belangrijkste verschillen tussen beide werkwoordsoorten

Het belangrijkste verschil tussen regelmatige en onregelmatige werkwoorden zit dus in de manier waarop de vorm verandert.

Bij regelmatige werkwoorden:

  • blijft de stam meestal hetzelfde

  • wordt er een uitgang toegevoegd zoals -te of -de

  • kun je een duidelijke regel toepassen

Bij onregelmatige werkwoorden:

  • verandert de stam vaak

  • kun je niet altijd een vaste regel gebruiken

  • moet je de vormen vaak onthouden

Waarom dit verschil belangrijk is

Voor leerlingen is het belangrijk om het verschil tussen deze werkwoordsoorten te begrijpen. Wanneer je weet of een werkwoord regelmatig of onregelmatig is, kun je makkelijker bepalen hoe je het werkwoord in een zin moet gebruiken.

Daarnaast helpt het herkennen van deze verschillen bij:

  • het schrijven van correcte zinnen

  • het maken van grammaticatoetsen

  • het verbeteren van taalvaardigheid

Door regelmatig te oefenen met voorbeelden en werkwoordstabellen wordt het steeds makkelijker om het juiste werkwoord te kiezen.

Hoe herken je onregelmatige werkwoorden?

Het herkennen van onregelmatige werkwoorden kan in het begin lastig zijn. Omdat deze werkwoorden geen vaste vervoegingsregels volgen, kun je niet altijd direct zien hoe ze veranderen in de verleden tijd of het voltooid deelwoord. Toch zijn er een aantal kenmerken die kunnen helpen om onregelmatige werkwoorden sneller te herkennen.

Door goed te kijken naar hoe een werkwoord verandert in verschillende tijden, kun je vaak ontdekken of het om een regelmatig of onregelmatig werkwoord gaat.

Verandering van de stam

Een van de belangrijkste kenmerken van onregelmatige werkwoorden is dat de stam van het werkwoord verandert wanneer het werkwoord in een andere tijd wordt gezet. Dit gebeurt vaak door een verandering van de klinker in het woord.

Een voorbeeld is het werkwoord lopen:

  • lopen (tegenwoordige tijd)

  • liep (verleden tijd)

  • gelopen (voltooid deelwoord)

De stam verandert hier van loop naar liep. Dit soort veranderingen komen vaak voor bij onregelmatige werkwoorden.

Andere voorbeelden zijn:

  • drinken → dronk → gedronken

  • vinden → vond → gevonden

  • zingen → zong → gezongen

Door deze verandering van de stam kun je vaak herkennen dat een werkwoord onregelmatig is.

Klinkerwisseling in het werkwoord

Bij veel onregelmatige werkwoorden verandert de klinker wanneer het werkwoord wordt vervoegd. Dit noemen we ook wel een klinkerwisseling.

Voorbeelden hiervan zijn:

  • schrijven → schreef → geschreven

  • spreken → sprak → gesproken

  • breken → brak → gebroken

Zoals je ziet verandert vooral de klinker in het woord. Dit is een typisch kenmerk van sterke of onregelmatige werkwoorden.

Door op deze klinkerwisselingen te letten, kun je vaak sneller herkennen dat een werkwoord onregelmatig is.

Onregelmatige werkwoorden in verschillende tijden

Een andere manier om onregelmatige werkwoorden te herkennen is door het werkwoord in verschillende tijden te bekijken. Werkwoorden kunnen namelijk voorkomen in de tegenwoordige tijd, de verleden tijd en de voltooide tijd.

Voorbeeld met het werkwoord zien:

  • Tegenwoordige tijd: Ik zie de vogel.

  • Verleden tijd: Ik zag de vogel.

  • Voltooid deelwoord: Ik heb de vogel gezien.

Hier verandert het werkwoord duidelijk van vorm. Daardoor kun je zien dat het werkwoord onregelmatig is.

Veelvoorkomende signalen van onregelmatige werkwoorden

Er zijn een aantal signalen die vaak voorkomen bij onregelmatige werkwoorden:

  • de klinker van het werkwoord verandert

  • de verleden tijd krijgt geen -te of -de

  • het voltooid deelwoord heeft een andere stam

Wanneer je deze kenmerken herkent, is de kans groot dat je met een onregelmatig werkwoord te maken hebt.

Waarom herkennen belangrijk is

Het herkennen van onregelmatige werkwoorden helpt leerlingen om betere zinnen te schrijven en grammatica beter te begrijpen. Als je weet dat een werkwoord onregelmatig is, kun je namelijk niet zomaar een standaardregel toepassen.

Daarom is het belangrijk om deze werkwoorden regelmatig te oefenen en te herkennen in teksten. Hoe vaker je ze ziet en gebruikt, hoe makkelijker het wordt om ze correct toe te passen.

Voorbeelden van onregelmatige werkwoorden

Om onregelmatige werkwoorden goed te begrijpen, helpt het om veel voorbeelden te bekijken. In het Nederlands zijn er namelijk veel werkwoorden die onregelmatig worden vervoegd. Door te zien hoe deze werkwoorden veranderen in verschillende tijden, wordt het makkelijker om ze te herkennen en correct te gebruiken.

Onregelmatige werkwoorden komen vaak voor in dagelijkse gesprekken en teksten. Daarom is het belangrijk dat leerlingen deze werkwoorden regelmatig tegenkomen en ermee oefenen.

Onregelmatige werkwoorden in de tegenwoordige tijd

In de tegenwoordige tijd lijken onregelmatige werkwoorden vaak nog vrij normaal. Ze worden meestal op dezelfde manier vervoegd als andere werkwoorden. De echte verschillen zie je vaak pas wanneer je het werkwoord in een andere tijd gebruikt.

Voorbeelden van onregelmatige werkwoorden in de tegenwoordige tijd:

  • Ik ga naar school.

  • Zij komt morgen langs.

  • Hij ziet de vogel in de boom.

  • Wij nemen de bus naar huis.

  • Zij eten samen lunch.

In deze zinnen lijkt er nog weinig verschil te zijn met andere werkwoorden. De verandering wordt duidelijker wanneer je naar de verleden tijd kijkt.

Onregelmatige werkwoorden in de verleden tijd

In de verleden tijd zie je vaak dat de vorm van het werkwoord verandert. Dit gebeurt meestal door een verandering van de klinker in het woord.

Voorbeelden:

  • Ik ging naar school.

  • Zij kwam gisteren langs.

  • Hij zag de vogel in de boom.

  • Wij namen de bus naar huis.

  • Zij aten samen lunch.

Zoals je ziet verandert de vorm van het werkwoord en kun je niet zomaar -te of -de toevoegen. Daarom worden deze werkwoorden onregelmatig genoemd.

Het voltooid deelwoord bij onregelmatige werkwoorden

Ook bij het voltooid deelwoord veranderen onregelmatige werkwoorden vaak van vorm. Het voltooid deelwoord gebruik je meestal samen met een hulpwerkwoord zoals hebben of zijn.

Voorbeelden:

  • Ik ben naar school gegaan.

  • Zij is langs gekomen.

  • Hij heeft de vogel gezien.

  • Wij hebben de bus genomen.

  • Zij hebben samen gegeten.

Bij veel onregelmatige werkwoorden blijft de vorm van het voltooid deelwoord ook anders dan bij regelmatige werkwoorden.

Veelvoorkomende onregelmatige werkwoorden

Hieronder staat een overzicht van enkele veelgebruikte onregelmatige werkwoorden in het Nederlands.

Werkwoord Verleden tijd Voltooid deelwoord
gaan ging gegaan
komen kwam gekomen
zien zag gezien
nemen nam genomen
eten at gegeten
geven gaf gegeven
blijven bleef gebleven
schrijven schreef geschreven
drinken dronk gedronken
vinden vond gevonden

Dit zijn werkwoorden die vaak voorkomen in teksten en gesprekken. Daarom is het handig om deze vormen goed te leren.

Waarom voorbeelden helpen bij het leren

Voorbeelden maken het leren van grammatica een stuk makkelijker. Door verschillende zinnen te bekijken, zien leerlingen hoe werkwoorden in echte situaties worden gebruikt. Daardoor wordt het eenvoudiger om de juiste vorm te kiezen wanneer je zelf een zin schrijft.

Daarnaast helpt het om werkwoorden in groepen te leren. Sommige werkwoorden veranderen namelijk op een vergelijkbare manier. Door deze patronen te herkennen, kun je onregelmatige werkwoorden sneller onthouden.

Lijst met veelgebruikte onregelmatige werkwoorden

In het Nederlands bestaan er veel onregelmatige werkwoorden. Sommige daarvan worden heel vaak gebruikt in gesprekken, schoolteksten en schrijfopdrachten. Daarom is het handig om de meest voorkomende werkwoorden goed te kennen. Door deze werkwoorden regelmatig te oefenen, wordt het makkelijker om ze correct te gebruiken in verschillende tijden.

Leerlingen hoeven niet alle onregelmatige werkwoorden tegelijk te leren. Het is vaak beter om te beginnen met de werkwoorden die het vaakst voorkomen. Deze werkwoorden kom je namelijk regelmatig tegen in dagelijkse taal.

Overzicht van veel voorkomende onregelmatige werkwoorden

Hieronder staat een overzicht van enkele veelgebruikte onregelmatige werkwoorden in het Nederlands.

Werkwoord Verleden tijd Voltooid deelwoord
gaan ging gegaan
komen kwam gekomen
zien zag gezien
nemen nam genomen
geven gaf gegeven
eten at gegeten
drinken dronk gedronken
schrijven schreef geschreven
vinden vond gevonden
blijven bleef gebleven
spreken sprak gesproken
lopen liep gelopen

Dit zijn werkwoorden die leerlingen vaak tegenkomen in teksten, boeken en opdrachten. Door deze vormen goed te leren, wordt het gebruik van onregelmatige werkwoorden steeds makkelijker.

Werkwoorden met vergelijkbare veranderingen

Veel onregelmatige werkwoorden lijken op elkaar omdat ze dezelfde soort verandering in de stam hebben. Wanneer je deze groepen herkent, kun je werkwoorden vaak sneller onthouden.

Bijvoorbeeld werkwoorden met een vergelijkbare klinkerwisseling:

-ij → -ee

  • blijven → bleef → gebleven

  • schrijven → schreef → geschreven

-i → -o

  • drinken → dronk → gedronken

  • zingen → zong → gezongen

  • springen → sprong → gesprongen

-e → -a

  • spreken → sprak → gesproken

  • breken → brak → gebroken

Door deze patronen te herkennen, wordt het makkelijker om meerdere werkwoorden tegelijk te leren.

Tips om onregelmatige werkwoorden te onthouden

Omdat onregelmatige werkwoorden niet altijd een duidelijke regel volgen, helpt het om ze op een slimme manier te leren.

Een paar handige tips zijn:

Leer werkwoorden in kleine groepen
Het is makkelijker om een paar werkwoorden tegelijk te leren dan een lange lijst.

Gebruik voorbeeldzinnen
Door werkwoorden in zinnen te gebruiken, onthoud je ze beter.

Maak een werkwoordenlijst
Een eigen lijst met werkwoorden kan helpen bij het herhalen.

Herhaal regelmatig
Door regelmatig te oefenen blijven de werkwoorden beter in je geheugen.

Waarom het leren van werkwoorden belangrijk is

Onregelmatige werkwoorden komen vaak voor in de Nederlandse taal. Wanneer leerlingen deze werkwoorden goed kennen, kunnen ze betere zinnen schrijven en grammaticale fouten vermijden.

Daarnaast helpt het kennen van deze werkwoorden bij:

  • begrijpend lezen

  • schrijfopdrachten

  • toetsen en examens

Hoe vaker je met deze werkwoorden oefent, hoe vanzelfsprekender ze worden.

Onregelmatige werkwoorden oefenen

Het leren van onregelmatige werkwoorden gaat het beste door regelmatig te oefenen. Omdat deze werkwoorden geen vaste vervoegingsregel volgen, helpt herhaling om de verschillende vormen beter te onthouden. Door werkwoorden in zinnen te gebruiken en oefeningen te maken, leren leerlingen sneller herkennen welke vorm correct is.

Oefenen kan op verschillende manieren, bijvoorbeeld door werkwoorden te herkennen, zinnen aan te vullen of werkwoorden in een andere tijd te zetten. Hieronder staan een paar eenvoudige oefeningen die helpen om onregelmatige werkwoorden beter te begrijpen.

Oefening 1 – Herken het onregelmatige werkwoord

Lees de volgende werkwoorden en bepaal welke onregelmatig zijn.

  1. lopen

  2. maken

  3. zien

  4. werken

  5. drinken

Antwoorden

Onregelmatige werkwoorden:

  • lopen

  • zien

  • drinken

Regelmatige werkwoorden:

  • maken

  • werken

Oefening 2 – Zet het werkwoord in de verleden tijd

Vul de juiste vorm van het werkwoord in.

  1. Ik ___ naar school. (gaan)

  2. Zij ___ een appel. (eten)

  3. Hij ___ de vogel in de boom. (zien)

  4. Wij ___ de bus naar huis. (nemen)

Antwoorden

  1. Ik ging naar school.

  2. Zij at een appel.

  3. Hij zag de vogel in de boom.

  4. Wij namen de bus naar huis.

Oefening 3 – Vul het juiste voltooid deelwoord in

Vul het juiste voltooid deelwoord in.

  1. Ik heb de film ___ . (zien)

  2. Wij zijn naar huis ___ . (gaan)

  3. Hij heeft water ___ . (drinken)

Antwoorden

  1. gezien

  2. gegaan

  3. gedronken

Veelgemaakte fouten bij onregelmatige werkwoorden

Leerlingen maken vaak dezelfde fouten bij onregelmatige werkwoorden. Dit komt meestal doordat ze proberen een regelmatige vervoeging toe te passen op een werkwoord dat eigenlijk onregelmatig is.

Voorbeelden van veelgemaakte fouten:

Fout: Ik ga gisteren naar school.
Goed: Ik ging gisteren naar school.

Fout: Hij heeft een appel geëet.
Goed: Hij heeft een appel gegeten.

Door veel te oefenen en voorbeelden te bekijken, worden deze fouten steeds minder gemaakt.

Blijven oefenen

Onregelmatige werkwoorden leer je het beste door ze regelmatig te herhalen en in zinnen te gebruiken. Door te lezen, te schrijven en oefeningen te maken, raken leerlingen steeds meer vertrouwd met deze werkwoorden.

Na verloop van tijd wordt het herkennen van onregelmatige werkwoorden steeds makkelijker en kun je ze vanzelf correct gebruiken in gesprekken en teksten.

Extra hulp nodig met onregelmatige werkwoorden?

Onregelmatige werkwoorden kunnen in het begin lastig zijn, vooral omdat ze geen vaste regels volgen. Door regelmatig te oefenen en veel voorbeeldzinnen te bekijken, worden deze werkwoorden steeds makkelijker te herkennen en te gebruiken. Toch kan extra uitleg soms helpen om grammatica beter te begrijpen en meer vertrouwen te krijgen in het schrijven en spreken van Nederlands.

Bij OnlineHuiswerkklas krijgen leerlingen persoonlijke online huiswerkbegeleiding bij Nederlands, grammatica en andere schoolvakken. Tijdens de online bijlessen wordt er stap voor stap gewerkt aan onderwerpen zoals werkwoorden, spelling en begrijpend lezen. Zo kunnen leerlingen hun taalvaardigheid verbeteren en met meer zekerheid toetsen en opdrachten maken. We hebben ook bijlessen voor andere talen zoals Frans, Duits en Engels.

Met de juiste begeleiding en voldoende oefening wordt het gebruik van onregelmatige werkwoorden een stuk eenvoudiger.

Benieuwd naar de mogelijkheden?

Leerlingen bij Online Huiswerkklas volgen altijd eerst een proefweek huiswerkbegeleiding. Na deze periode kun je een abonnement voor vier tot tien uur begeleiding per week bij ons afsluiten. Onze abonnementen zijn maandelijks opzegbaar.

Tarieven bekijken