Vul je e-mailadres in en ontvang een code voor €50 korting op de eerste factuur.*
*Na de gratis Proefweek kun je altijd stoppen. Deze actie geldt alleen voor huiswerkbegeleiding (niet voor privébijles) en is uitsluitend voor nieuwe leerlingen.
De past simple is een belangrijke werkwoordstijd in de Engelse taal. Je gebruikt deze tijd wanneer je praat over iets dat in het verleden is gebeurd en inmiddels is afgelopen. Veel leerlingen komen de past simple tegen in schoolboeken, toetsen en examens, maar ook in verhalen, nieuwsartikelen en gesprekken.
In deze blog leggen we duidelijk uit wat de past simple is, hoe je hem maakt en wanneer je hem gebruikt. Met voorbeelden en oefenzinnen wordt deze werkwoordstijd een stuk makkelijker te begrijpen.
De past simple is een Engelse werkwoordstijd die wordt gebruikt om te praten over acties of gebeurtenissen die in het verleden hebben plaatsgevonden. De gebeurtenis is al helemaal voorbij en heeft meestal geen directe link meer met het heden.
Bekijk bijvoorbeeld de volgende zinnen:
In al deze zinnen gaat het om iets dat eerder gebeurde en inmiddels voorbij is.
Wanneer je de past simple gebruikt, vertel je over iets dat al heeft plaatsgevonden. Dit kan een actie zijn die gisteren gebeurde, vorige week plaatsvond of zelfs jaren geleden gebeurde.
Bijvoorbeeld:
De past simple wordt daarom vaak gebruikt wanneer je vertelt over gebeurtenissen uit het verleden.
De past simple komt veel voor in het Engels. Je ziet deze werkwoordstijd vaak in verhalen, gesprekken over het verleden en in nieuwsartikelen. Wanneer iemand vertelt wat hij gisteren deed of wat er vorige week gebeurde, wordt meestal de past simple gebruikt.
Voor leerlingen is het daarom belangrijk om deze werkwoordstijd goed te begrijpen. Als je de past simple beheerst, wordt het lezen van Engelse teksten en het vertellen van verhalen een stuk makkelijker.
De past simple wordt gevormd door het werkwoord in de verleden tijd te zetten. Bij veel werkwoorden is dat eenvoudig, maar bij sommige werkwoorden verandert de vorm volledig.
Bij veel Engelse werkwoorden voeg je simpelweg -ed toe aan het hele werkwoord.
Bijvoorbeeld:
Deze werkwoorden noemen we regelmatige werkwoorden.
Regelmatige werkwoorden zijn meestal eenvoudig te gebruiken omdat de vorm voorspelbaar is. Je hoeft vaak alleen -ed toe te voegen aan het hele werkwoord.
Voorbeelden:
Door deze regel te leren kun je al veel zinnen in de past simple maken, een groot deel van de werkwoorden valt onder de regelmatige werkwoorden.
Niet alle werkwoorden volgen deze regel. Sommige werkwoorden hebben een onregelmatige vorm in de verleden tijd. Deze vormen moet je vaak uit je hoofd leren.
Een paar bekende voorbeelden van onregelmatige werkwoorden zijn:
Voorbeelden in zinnen:
Veel Engelse schoolboeken bevatten lijsten met onregelmatige werkwoorden die je kunt oefenen.
In de past simple kun je verschillende soorten zinnen maken. Je kunt een bevestigende zin, een ontkennende zin of een vraag formuleren. De structuur van de zin verandert daarbij iets.
Bevestigende zinnen gebruik je wanneer je vertelt dat iets daadwerkelijk is gebeurd in het verleden. In deze zinnen staat het werkwoord direct in de verleden tijd.
Voorbeelden:
Het werkwoord krijgt bij regelmatige werkwoorden meestal -ed, terwijl onregelmatige werkwoorden een andere vorm krijgen bij bevestigende zinnen.
Wanneer je wilt aangeven dat iets niet is gebeurd, gebruik je did not of de korte vorm didn’t. Het hoofdwerkwoord blijft daarna in de basisvorm. Hiermee vorm je ontkennende zinnen
Voorbeelden:
Let op dat het werkwoord na did niet in de verleden tijd staat bij ontkennende zinnen
Om een vraag te maken gebruik je did aan het begin van de zin. Daarna komt het onderwerp en vervolgens het werkwoord in de basisvorm.
Voorbeelden:
Je kunt ook vraagwoorden gebruiken, zoals where, when of why.
Bijvoorbeeld:
Door deze drie vormen te oefenen, wordt het gebruik van de past simple steeds makkelijker.
De past simple wordt gebruikt wanneer je praat over gebeurtenissen die duidelijk in het verleden hebben plaatsgevonden.
Wanneer een actie op een bepaald moment in het verleden gebeurde.
Bijvoorbeeld:
Deze gebeurtenissen zijn allemaal al afgerond.
Soms beschrijft het een gebeurtenis die in het verleden begon en ook weer eindigde.
Bijvoorbeeld:
De actie is dus volledig afgerond.
Wanneer je een verhaal vertelt, gebruik je vaak meerdere werkwoorden om gebeurtenissen te beschrijven.
Bijvoorbeeld:
Hier beschrijf je stap voor stap wat er gebeurde.
Deze werkwoordstijd wordt vaak gebruikt samen met woorden die aangeven wanneer iets gebeurde. Deze woorden helpen je herkennen dat een zin over het verleden gaat.
Veel voorkomende tijdsaanduidingen zijn:
Voorbeelden:
Deze woorden maken duidelijk dat de actie in het verleden plaatsvond.
Wanneer je wilt zeggen dat iets niet gebeurde, gebruik je did not of de verkorte vorm didn’t.
Het werkwoord dat daarna komt blijft in de basisvorm.
Bijvoorbeeld:
Het is belangrijk om te onthouden dat het werkwoord niet nogmaals in de verleden tijd komt na did.
Om een vraag te maken in de past simple gebruik je did aan het begin van de zin.
Bijvoorbeeld:
Ook hier blijft het werkwoord in de basisvorm.
Wanneer je een vraagwoord gebruikt, komt dat meestal vooraan in de zin.
Bijvoorbeeld:
Veel leerlingen maken fouten wanneer ze de past simple gebruiken. Een veelvoorkomende fout is het dubbel gebruiken van de verleden tijd.
Bijvoorbeeld:
Fout:
Did you went to school?
Correct:
Did you go to school?
Na did gebruik je namelijk altijd de basisvorm van het werkwoord.
Een andere fout gebeurt bij onregelmatige werkwoorden. Omdat deze vormen niet voorspelbaar zijn, gebruiken leerlingen soms per ongeluk de verkeerde vorm.
De beste manier om te leren is door ermee te oefenen. Door zelf zinnen te maken raak je steeds meer gewend aan de structuur van deze werkwoordstijd.
Probeer de volgende zinnen aan te vullen met de juiste vorm van het werkwoord.
Door regelmatig dit soort zinnen te oefenen wordt het gebruik van de past simple steeds makkelijker.
Om de past simple goed te leren is het belangrijk om veel voorbeelden te lezen en zelf zinnen te maken. Let tijdens het lezen van Engelse teksten bijvoorbeeld op werkwoorden die eindigen op -ed of op onregelmatige vormen zoals went of saw.
Daarnaast helpt het om regelmatig lijsten met onregelmatige werkwoorden te oefenen. Veel leerlingen gebruiken hiervoor kaartjes of korte oefenzinnen. Door regelmatig te oefenen ontwikkel je steeds meer gevoel voor de juiste werkwoordsvorm.
De woorden was en were zijn verleden tijd van het werkwoord to be.
Je gebruikt was bij I, he, she en it, en were bij you, we en they.
Bijvoorbeeld:
In vragen gebruik je did om duidelijk te maken dat de zin over het verleden gaat. Het hoofdwerkwoord blijft daarna in de basisvorm.
Bijvoorbeeld:
Veel leerlingen leren onregelmatige werkwoorden door ze regelmatig te herhalen. Het helpt om korte voorbeeldzinnen te maken of om met flashcards te oefenen. Door ze vaak te gebruiken raak je sneller gewend aan de juiste vormen.
Ja, dat gebeurt vaak wanneer je een verhaal vertelt. Je gebruikt dan meerdere werkwoorden in de past simple om gebeurtenissen achter elkaar te beschrijven.
Bijvoorbeeld:
Wanneer je een verhaal vertelt, beschrijf je gebeurtenissen die allemaal in het verleden zijn gebeurd. Daarom wordt de past simple vaak gebruikt in verhalen, boeken en nieuwsartikelen.
Vind je Engels lastig of wil je beter worden in grammatica zoals de past simple, present simple of present perfect? Met begeleiding van Online Huiswerkklas krijg je hulp bij huiswerk, toetsen en examens.
Onze begeleiders helpen je om grammatica beter te begrijpen, opdrachten te oefenen en structuur te krijgen in je schoolwerk. Zo wordt Engels leren een stuk duidelijker en haal je betere resultaten. Ook kunnen we ondersteunen bij vakken zoals Duits, Frans, Nederlands. Maar ook Biologie, Aardrijkskunde en Economie.
Leerlingen bij Online Huiswerkklas volgen altijd eerst een proefweek huiswerkbegeleiding. Na deze periode kun je een abonnement voor vier tot tien uur begeleiding per week bij ons afsluiten. Onze abonnementen zijn maandelijks opzegbaar.
Tarieven bekijken